Van postzegelverzamelaar naar Cadillac verzamelaar

1965-pontiac-lemans

Rond mijn zesde raakte ik gefascineerd door Amerikaanse auto’s. Een buurman in de Pijnboomstraat had een prachtige witte Pontiac Le Mans Coupe met V8 motor, uit 1964 of 1965.
Omdat mijn vader geen auto had gingen we jarenlang met vakantievervoer naar Elspeet op de Veluwe en reden dan langs Hessing de Bilt, de bekende dealer van Amerikaanse wagens. Dat herinner ik me nog goed, het was vlakbij de Berenkuil na Utrecht. Daar stonden rijen met Amerikanen langs de weg. De eerste Hessing advertentie uit de Telegraaf kreeg ik in 1970 van mijn oma die boven ons woonde.

In de periode van 11970 14 maart972 tot 1976 mochten mijn broer en ik op zondagen vaak meerijden in de Ford Consul Coupe van de vader van onze buurjongens. Hij had een bureau in Zeist en onderweg stopte we regelmatig bij de showroom van Hessing in de Bilt.  In die tijd adverteerde Hessing paginagroot in de Telegraaf en bood praktisch alle Amerikaanse merken aan. Ik verzamelde de advertenties en knipte de Hessing advertenties uit met het aanbod gebruikte Amerikanen. Als u informatie heeft over Hessing de Bilt zoals verhalen, foto's dan zet ik die graag op deze site bij Hessing de Bilt
De interesse in Amerikanen hield ook in dat ik graag naar Amerikaanse series keek zoals Mannix die lang in een Plymouth Barracuda reed, Cannon die een Lincoln Mark IV had, de FBI waar met wagens van de Ford Motor Company werd gereden. In 1973 ging ik elke maand naar de Bijenkorf om het Amerikaanse tijdschrift Motor Trend te kopen en al snel nam ik er een abonnement op. Daarna volgde ook abonnementen op andere Amerikaanse tijdschriften zoals Car & Driver en Road & Track. Het was goed voor mijn Engels. Ik ben nooit een lezer geweest maar in de tweede klas moesten we voor Nederlands boeken lezen. Onze leraar vond het prima dat ik elke maand een boek las uit de serie Bob Evers. Daar kwamen altijd Amerikaanse wagens in voor, dat maakte het lezen leuker. In de tweede en derde klas gingen mijn spreekbeurten over Henry Ford en Amerikaanse wagens. In 1968 ben ik door mijn vader en opa enthousiast gemaakt om postzegels te gaan sparen. Op woensdagmiddag ging ik vaak naar mij op die boven woonde om postzegels te bekijken. In zijn jeugdjaren was mijn vader die op Ambon en later op Java woonde een verwoed postzegel verzamelaar. Ik ging Nederlandse postzegels verzamelen, ongestempeld, postfris zonder plakker. Ik was al een verzamelaar van dierenplaatjes, munten, en deed aan praktisch alle verzamelrages mee en had die ook vaak snel compleet. Mijn postzegelverzameling was echter meer dan verzamelen. Het ging om serieus geld en mijn vader van wie ik een aardig bedrag aan zakgeld kreeg stimuleerde het verzamelen door nog eens een gulden extra te geven voor elke gulden die ik aan postzegels uit gaf. Hij vond dat beter dan het geld aan snoep en speelgoed uit te geven. Ik had het geluk dat een collega van mijn vader die bij Tebodin werkte veel zegels dubbel had. Die verkocht hij voor zeer lage prijzen. De verzameling groeide snel en de catalogusprijzen stegen in de jaren van 1968 tot 1977 jaarlijks met zo’n 30%. In de veronderstelling dat ook nieuwe postzegels een goede belegging zouden worden begon ik met mijn vader na 1977 van alle nieuwe zegels een vel van 100 stuks bij het postkantoor te kopen. In 1976 was de postzegelverzameling al zoveel waard geworden dat met de verwachte waardestijgingen ik, tegen de tijd dat ik mijn rijbewijs zou halen, bij Hessing een mooie Amerikaan van 3 jaar oud zou kunnen kopen. Ik heb nooit interesse gehad in gemotoriseerde tweewielers maar had een prachtige fiets waarmee ik graag door Den Haag reed. In de jaren zeventig hadden we hier heel wat dealers van Amerikaanse wagens zoals de AMC dealer in de 2e Schuytstraat op nog geen kilometer van onze woning, de gebroeders Zoet aan de Koninginnegracht die oorspronkelijk Chrysler, Dodge en  Plymouth verkocht en de Riva in de Torenstraat die Amerikanen van GM verkocht. Er reden veel Amerikanen rond in Den Haag waarvan ik vaak de kentekens en modellen noteerde. In 1974 ben ik met een buurjongen naar Hessing gegaan voor een foto reportage en ik weet nog goed dat ik in dat jaar een week bij een oom en tante in Rotterdam heb gelogeerd. Ik ben toen bij Pietersen aan de Nieuwe Binnenweg geweest en kreeg daar een catalogus van een Chevrolet Nova en bij Ford kreeg ik een folder van de nieuwe Mustang II.
In de jaren zeventig stonden er veel nieuwe Amerikanen in onze straat waaronder de eerder genoemde crèmekleurige 1974 Chevrolet Malibu Classic Coupe, een 1978 Buick Regal, een 1974 Mustang II Notchback, een 1978 Ford Mustang Mach 1 en een 1979 Chevrolet Monte Carlo. Er stond ook vaak een lichtgroene Seville uit 1977. Mijn interesse lag vanaf het begin in eigentijdse Amerikanen. De Pontiac van mijn buurman waarmee mijn interesse begon was praktisch nieuw toen hij hem kocht. Vreemd genoeg had ik weinig kennis en interesse in Amerikanen van voor 1960. Die zag je toen weinig in Den Haag. De vader van de buurjongens waarmee we vroeger vaak bij Hessing gingen kijken kocht in de jaren tachtig een Mercury Capri.


Pas rond 1978 begon ik boeken te verzamelen zoals de bekende Car Spotters Guide over de modellen voor 1965. Het was zelfs zo dat ik feitelijk een hekel had aan de meeste Cadillacs die je in mijn lagere schooltijd in Den Haag vaak zag. Dat waren zwarte lijkwagens en volgwagens met panoramische voorruiten. Die zijn van 1959 tot en met 1964 gemaakt. Als ik een rouwstoet zag staan liep ik meestal een straatje om. Aan het einde van onze straat stond  een zwarte Chevrolet uit 1959, die vond ik toen niet mooi, mede wegens de bolle voorruit.
Later in de jaren zestig reden hier mooie grijze Cadillacs die voor trouwerijen werden gebruikt. Dat waren modellen van na 1965 die ik wel mooi vond evenals een Cadillac bruidswagen waarvan het achterste deel van het dak van glas was.
Ik heb nooit vrienden gehad in mijn middelbare schooltijd die in techniek of sleutelen geïnteresseerd waren, dus kon ik nergens in de buurt praktijkkennis op doen. Mijn vader was statiker en wist weinig van auto’s maar hij vond het interessant dat zijn vader al heel vroeg een auto had op Ambon. Dat was de eerste gesloten wagen daar, een groene Chevrolet. Ik denk dat het een model van rond 1928 is geweest. Mijn opa had een chauffeur die mijn vader, broers en zusje, neefje en nichtjes dagelijks naar school bracht. Volgens mijn vader stonden er vaak auto’s op het erf die door zijn vader gerestaureerd werden. Er werd toen veel hout toegepast dat ten prooi kon vallen aan termieten. Dat moeten wagens geweest zijn van voor 1920.
In de laatste jaren van het VWO begon ik me te verdiepen in autotechniek. Ik las veel in Amerikaanse boeken van Petersen, de uitgever van Motor Trend: Basic Auto Repair en Trouble Shooting. Daarin stond veel over de werking van zaken zoals versnellingsbak, automaat, motor, startmotor, ontsteking.
Die kennis en de informatie over de technieken om auto’s te bouwen kwamen goed van pas voor de studie werktuigbouw in Delft die ik in 1978 startte.
Van mijn vader die zelf enkele jaren werktuigbouw had gestudeerd wist ik dat wiskunde en natuurkunde in deze studie centraal stonden en praktijk en sleutelen nauwelijks aan bod kwam. Dat moest ik dus op een andere manier leren.
Eind 1977 kwam plotseling een eind aan het stijgen van de waarde van postzegels, ze begonnen zelfs in waarde te dalen. Dit betekende een streep door het plan om de verzameling te verkopen en een mooie Amerikaan te kopen na het behalen van mijn rijbewijs maar ik had een meevaller dat ik van een oom wat gestempelde Nederlandse postzegels had gekregen.
Na het behalen van het VWO diploma in 1978 kreeg ik een aardig bedrag van mijn vader en met het geld van de verkoop van de gestempelde postzegels en spaargeld had ik rond 5000 gulden. In de tijd dat ik rijles had keek ik in kranten en bij handelaren op zoek naar een Amerikaan in die prijsklasse. Wegens het feit dat ik na slagen het rijbewijs niet snel genoeg in de bus viel liep ik een Pontiac Grand Am uit 1973 met gas mis die op 23 september 1978 te koop werd aangeboden in de Telegraaf. Wegens gebrek aan praktische kennis deed ik kort daarna een miskoop door een Buick Century Gran Sport uit 1974 te kopen bij een handelaar in Schiedam die veel Amerikaanse wagens te koop had staan. De prijs was 5100 gulden, relatief goedkoop voor een Buick van 4 jaar oud maar al snel bleek dat de motor niet in orde was.
Tijdens de proefrit had ik de tik niet gehoord……………..misschien omdat de handelaar de aanjager op volle toeren liet draaien. Op de weg naar huis schoot er tot overmaat van ramp ook nog een barst in de voorruit, waarschijnlijk zat er al een kleine barst in. Het was een miskoop en ik bracht hem terug naar Schiedam. Er zat garantie op in de vorm van fifty-fifty. Met de handelaar werd afgesproken dat er een andere motor ingezet zou worden de wagen vervolgens zou verkocht zou worden. Ik zou de opbrengst minus de helft van de kosten van de inbouw van de motor krijgen. Het duurde lang voor de motor daadwerkelijk vervangen werd en na de verkoop van de wagens op de Utrechtse automarkt heb ik nooit geld gezien. De handelaren bleken oplichters te zijn die tevens een zwendelden met caravans. Ze handelden vanuit een voormalige Jeneverfabriek en daar ook ruimte voor het stallen van caravans maar het vreemde was dat de caravaneigenaren hun papieren in moesten leveren. Het heeft destijds in de krant gestaan dat de oplichters na een achtervolging zijn aangehouden en toen had ik al snel door dat procederen om geld terug te krijgen van mijn Buick geen zin had. Ik had leergeld betaald en was een illusie armer en kon tot het begin van mijn derde studiejaar de door blijven fietsen naar de TH Delft.  In augustus 1980 kocht ik een prachtige Pontiac Grand Lemans sedan uit 1976 die op LPG reed. Gedurende de rest van mijn studietijd reed ik met de Pontiac naar Delft en heb daarna nog maar weinig gefietst. Ik was de enige student die in een grote Amerikaan reed. De collega’s van mijn vader bij Tebodin vonden het maar raar dat hij met de tram naar zijn werk ging en zijn zoon liet rondrijden in een Amerikaan.
De Pontiac had zo’n 170.000 km gereden toen ik hem kocht. Hij was goed en in de loop van de tijd heb ik diverse relatief kleine reparaties en modificaties uitgevoerd. Het was het begin van een sleuteltijdperk en bezoeken aan Amerikanen-sloperijen. Uiteindelijk heb ik ruim 130.000 km met de Pontiac gereden voor ik hem in 1988 verkocht. Vrij snel na mijn afstuderen kreeg ik een baan bij het ingenieursbureau Tebodin. Ik kocht direct een Oldsmobile 98 Regency Sedan uit 1976 op LPG waarmee ik zeer veel zou gaan rijden voor de projecten die ik bij Tebodin zou gaan uitvoeren. Eind 1984 kreeg ik een opdracht bij Vlisco in Helmond die bijna 3 jaar zou gaan duren. In die tijd reed ik dagelijks heen en weer tussen Den Haag en Helmond en verder reed ik in de weekenden erg veel. Wekelijks reed ik gemiddeld bijna 2000 km. Ik kreeg een goed kilometervergoeding die volledig opging aan LPG, onderhoud en de aanschaf van een mooie Oldsmobile Toronado uit 1974 en diverse andere Amerikanen. In september 1985 kocht ik mijn eerste Cadillac. Dat was een in slechte staat verkerende bruine Sedan de Ville uit 1976 die volgens zeggen nieuw zou zijn gekocht door Heineken. Na het verkopen van mijn postzegelverzameling in 1986 kocht ik mooie groene Fleetwood uit 1977 en een Buick Riviera uit 1974.

Hiermee was de basis van de Cadillac-verzameling en hobby gelegd. Daarna volgde een lange reeks van jaren waarin ik zo'n 50 Cadillacs kocht. Bij elkaar geteld heb ik meer dan 1 miljoen km met Cadillacs gereden.

Invalid Displayed Gallery